Home

De of het lidwoord?

De Nederlandse taal is een van de ingewikkelste talen ter wereld om te leren. Er zijn namelijk veel vreemde regels, uitzonderingen en klanken die niet voor iedereen even gemakkelijk aan te leren zijn. Een van de grootste struikelblokken zijn het gebruik van lidwoorden, want wanneer gebruik je nou ‘de’ en wanneer gebruik je ‘het’  voor een zelfstandig naamwoord?

De of het? Wij leren het je. We hebben de meest gezochte woorden verzameld voor iedereen die wat extra hulp kan gebruiken bij de verschillende lidwoorden.

Persoon
Fiche
Richtlijn
Adres
Moment
Tafel
Raam
Document
Test
Ticket
Brief
Toilet
Nummer
Bos
Huis
Boek
Attest
Factuur
School
Plan

Vuistregels voor gebruik van 'het'

De volgende categorieën woorden zijn over het algemeen het-woorden:

  • verkleinwoorden: het bloempje, het jongetje, het briefje.
  • landen en plaatsen: het kleine Nederland, het Duitsland van na de oorlog, het statige Den Haag.
  • metalen: het ijzer, het kwik.
  • sporten en spellen: het tennis, het scrabble, het yahtzee.

Ongeveer een derde van alle zelfstandig naamwoorden zijn het-woorden. Er bestaan geen duidelijke richtlijnen om je te helpen bij het bepalen of een woord een het-woord is of een de-woord. Het is dus een kwestie van uit je hoofd leren. Er zijn wel een paar richtlijnen, die je een beetje op weg kunnen helpen.

Welke woorden zijn altijd het-woorden?

  • Alle verkleinwoorden
het egeltjehet ijsje
het autootjehet foutje
  • Alle infinitieven die we als zelfstandig naamwoord gebruiken
het vallen van de nachthet doen van een dutje
het tikken van de klokhet komen en gaan van de vogels
  • Alle zelfstandig naamwoorden van het type ‘het goede’, ‘het slechte’, etc.
het leuke is…het stomme is…
het rare/gekke is…het mooie is…
het belangrijkste is…het vervelende is…
  • Alle woorden die eindigen op –um, –aatof –isme
het decorumhet ultimatum
het museumhet aquarium
het resultaathet mandaat
het referaathet consulaat
het surrealismehet egoïsme
het liberalismehet idealisme

Uitzonderingen: woorden die op -aat eindigen en die naar personen verwijzen, bijv. de advocaat, de fanaat of de aristocraat. En ook: de prostaat.

  • De meeste zelfstandig naamwoorden die beginnen met de vervoegsels ge-, be-en ver-, maar die niet eindigen op -ing
het gefluisterhet gegeven
het gezanghet gedoe
het beklaghet bestuur
het bereikhet begin
het vermogenhet verdriet
het verlieshet verleden
het verkeerhet verhaal

Maar: de gewoonte

  • Andere vaak gebruikte het-woorden
het boekhet woord
het geldhet papier
het formulierhet werk
het bankbiljethet paspoort
het identiteitsbewijshet land
het rijbewijshet dorp
het caféhet restaurant
het hotelhet spel
het feesthet bier
het saphet water
het vuurhet fornuis
het gashet licht
het broodhet vlees
het ontbijthet diner
het bordhet ei
het meshet vet
het spekhet zout
het glashet huis
het toilethet balkon
het dakhet plafond
het bedhet laken
het raamhet antwoordapparaat
het trapportaalhet stopcontact
het terrashet hoofd
het kindhet oor
het ooghet haar
het beenhet hart
het bothet dier
het bloedhet jaar
het seizoenhet uur
het kwartierhet kwartaal
het horlogehet tijdstip
het roosterhet schema

 

Vuistregels voor het gebruik van 'de'

De volgende categorieën woorden zijn over het algemeen de-woorden:

Net als voor het-woorden, hebben we voor de-woorden geen duidelijke regels, maar wel een paar richtlijnen.

Voor alle zelfstandig naamwoorden gebruiken we in het meervoud ‘de’. Het maakt hier niet uit of het enkelvoud een het-woord is of een de-woord.

 

de planetende potloden
de druppelsde boten
de gedachtende kinderen
de handende lijnen
  • Zelfstandig naamwoorden die duidelijk mannelijk of vrouwelijk zijn (dus niet onzijdig)

Van de meeste woorden is het niet duidelijk of ze mannelijk, vrouwelijk, of onzijdig zijn. Bij sommige woorden is dit wél duidelijk. In dit geval is het een de-woord.

de vrouwde man
de teefde hengst
de koninginde koning
de meidde jongen
  • Zelfstanding naamwoorden die op -ing eindigen

Deze zelfstandig naamwoorden zijn gebaseerd op werkwoorden. Dit zijn altijd de-woorden (ze zijn allemaal vrouwelijk).

de betalingde verovering
de uitnodigingde rekening
de betoveringde opening
de ontdekkingde hervorming

Maar: het ding.

  • Zelfstandig naamwoorden die eindigen op -tie, -thie en -sie (vrouwelijk)
de politiede petitie
de executiede tractatie
de sympathiede empathie
de visiede fusie
  • Zelfstandig naamwoorden die eindigen op -or (mannelijk)
de motorde generator
de monitorde perforator
de professorde factor
de alligatorde radiator
  • Personen

Zelfstandig naamwoorden die verwijzen naar presonen zijn bijna altijd de-woorden. Dit is niet zo raar, want mensen zijn altijd vrouwelijk of mannelijk (niet onzijdig).

  • Familie
de moederde vader
de dochterde zoon
de kleindochterde kleinzoon
de tantede oom
de nichtde neef
de grootmoederde grootvader
de omade opa

Maar: we zeggen het kind.

  • Zelfstandig naamwoorden die eindigen op -aar (mannelijk)

Deze woorden zijn gebaseerd op werkwoorden.

de handelaarde molenaar
de veroveraarde tovenaar
de leugenaarde dienaar
de minnaarde ambtenaar
  • Zelfstandig naamwoorden die op -eur eindigen (mannelijk)

Deze woorden komen meestal uit het Latijn.

de programmeurde acteur
de adviseurde profiteur
de amateurde directeur
de auteurde instructeur
  • Woorden die op -er eindigen (mannelijk)

Dit is de meest gebruikelijke uitgang voor de ‘uitvoerders’ (of ‘agenten’) van een werkwoord.

de verkoperde danser
de slagerde bakker
de dokterde schrijver
de zangerde dromer
  • Vrouwelijke uitgangen

De mannelijke versie staat steeds tussen haakjes vermeld.

de verkoopster (verkoper)de danseres (danser)
de actrice (acteur)de zangeres (zanger)
de keizerin (keizer)de directrice (directeur)
de minnares (de minnaar)de kokkin (kok)

 

Geen of bepaald lidwoord

Soms gebruik je in het Engels of Frans een lidwoord, waar we dit in het Nederlands niet doen. Of andersom.

Geen lidwoord

  • Beroepen
Hij is tandarts.
Mijn oma is econoom.
  • Muziekinstrumenten bespelen
Zij speelt piano.
Ik speel gitaar.

Bepaald lidwoord

  • Seizoenen
In de winter draag ik warme kleren.
In de herfst zie je overal van die mooie kleuren.
  • Talen
Kun je het ook in het Nederlands zeggen?
Het boek is alleen in het Engels verkrijgbaar.

In het algemeen gebruiken we ‘het’ alleen na voorzetsels, meestal na ‘in’. Dus: “Kun je het in het Nederlands zeggen”, en “Spreek je Nederlands?”